Sponsoren

  • Sponsor van KNBB Doetinchem
  • A1biljarts.nl
  • Sponsor van KNBB Doetinchem
  • Sponsor van KNBB Doetinchem
  • Sponsor van KNBB Doetinchem
  • Sponsor van KNBB Doetinchem
  • Sponsor van KNBB Doetinchem
  • Sponsor van KNBB Doetinchem
  • Sponsor van KNBB Doetinchem
  • Sponsor van KNBB Doetinchem
  • Taveerne Tolkamer
  • de pol
  • Sponsor van KNBB Doetinchem
  • Sponsor van KNBB Doetinchem
Home Algemeen
HomeArbiters › Arbitrage handleiding

Arbitershandleiding

Aandachtspunten betreffende Arbitrage door verenigingsleden

Korte arbitrage Handleiding voor wedstrijdleiders en arbiters

Taken gedurende voorwedstrijden en finales van een wedstrijdleider

1. Zorgt ervoor dat het materiaal in goede staat is.

2. Deelt de arbiters en schrijvers in, roept de spelers op zich naar de biljarts te begeven.

3. Voorkomt dat spelers beginnen met inspelen terwijl er geen arbiter is aangewezen.

4. Neemt de bij de partij behorende tellijsten van de arbiter aan waarna de partij is afgelopen.

5. Neemt maatregelen als een toeschouwer zich, naar het oordeel van de arbiter, onwaardig gedraagt en neemt zo nodig aanvullende maatregelen om dit verder te voorkomen.

6. Zorgt voor de verwerking van de gegevens van de partijen.

7. Zorgt dat de tussenstand publiekelijk zichtbaar wordt aangebracht.

8. Zorgt voor aanwezigheid van registratieformulieren officiële waarschuwingen.

9. Ingevolge artikel 6035 lid 10 van het Wedstrijdreglement: indien een deelnemer aan een wedstrijd, door welke reden dan ook, een partij niet wil of kan uitspelen, dan is de wedstrijdleider van die eindstrijd bevoegd, die speler het verder spelen te ontzeggen, mits hierover met het betrokken bestuur overleg is gepleegd.

10. Valt een deelnemer aan een eindstrijd, door welke reden dan ook uit, dan worden de resultaten in tegen hem gespeelde partijen behaald ongeldig verklaard.

11. Voor competitiewedstrijden geldt hiervoor artikel 6014 lid 4 van het Wedstrijdreglement: Indien een arbiter door het toepassen van een reglementaire bepaling een partij voortijdig moet beëindigen en daarbij één van de spelers tot verliezer moet verklaren, dan worden aan de andere speler van die partij de twee partijpunten toegekend.

12. Zorgt voor correcte uitbetaling van de arbiters.

 

Taken van de arbiter

1. De arbiter heeft tot taak een partij – met uitsluiting van anderen – te leiden.

2. De taken van de arbiter beginnen op het moment dat de wedstrijdleider de spelers oproept zich naar het biljart te begeven, opdat met een partij kan worden begonnen en eindigt op het moment dat de arbiter de bij die partij behorende tellijsten bij de wedstrijdleider heeft afgegeven.

3. Zodra de arbiter de taken op zich heeft genomen, moet hij zich er eerst van overtuigen dat het materiaal in goede staat is. Zo niet dan verzoekt hij de wedstrijdleider het materiaal te laten reinigen of in goede staat te brengen.

4. De arbiter heeft tot taak er op te letten dat de speler zich onthoudt van onjuist gedrag en dat een ieder, aanwezig in het lokaal waarin een partij wordt gespeeld, zich onberispelijk en sportief gedraagt en zich onthoudt van elke handeling de biljartsport onwaardig.

Bevoegdheden van de arbiter

1. Hij neemt maatregelen, opdat kan worden voorkomen dat een speler zich onjuist gedraagt.
In alle overige gevallen licht hij de wedstrijdleiding in, opdat deze doeltreffende maatregelen kan nemen.

2. Alleen de arbiter stelt vast of bij de beoefening van het biljartspel een spelregel is overtreden.

3. Komt een speler een regel, niet zijnde een spelregel, niet na, dan mag de arbiter alleen dan handelen indien hem dit door het desbetreffende reglement is toegestaan of opgedragen. (Hij mag bijvoorbeeld niet optreden aan een tafel, waar hij niet de leidend arbiter van is)

4. Overtreedt een speler een gedragsregel of – naar het oordeel van de arbiter – met opzet een spelregel, dan mag de arbiter die speler een officiële waarschuwing geven. Blijft de speler volharden in het overtreden van bedoelde regel(s), dan is de arbiter bevoegd de speler het verder spelen te ontzeggen. Overtreedt een speler een gedragsregel in zo ernstige mate dat van de arbiter niet kan of mag worden geëist dat hij die speler laat verder spelen (beledigen, uitschelden, dreigen, handtastelijk worden), dan kan de arbiter de speler het verder spelen
ontzeggen zonder dat hij eerst een officiële waarschuwing heeft gegeven.

5. Ontzegt de arbiter een speler het verder spelen, dan dient hij dit direct aan de wedstrijdleiding mede te delen. De wedstrijdleiding bepaalt – na overleg met afgevaardigde van vereniging, gewest, of district – de te nemen maatregelen.

6. Indien de arbiter een speler een officiële waarschuwing geeft of het verder spelen ontzegt, maakt de arbiter hiervan aantekening op de tellijst van de betreffende partij. Bovendien maakt de arbiter verslag op van het voorval dat tot de officiële waarschuwing of de ontzegging heeft geleid, waarbij hij gebruik dient te maken van het hiervoor bestemde formulier (te verkrijgen bij de wedstrijdleiding).

7. Staat een speler op het punt een spelregel te overtreden, zonder dat hierbij – naar het oordeel van de arbiter – van opzet sprake is, dan mag de arbiter hem daarop niet attent maken. Staat een speler op het punt een regel, niet zijnde een spelregel te overtreden, dan mag de arbiter hem daarop wel attent maken (luidruchtig protesteren, mouwen van het overhemd opstropen, tegenstander proberen af te leiden, e.d.).

Onder onjuist gedrag van een speler wordt verstaan

1. Het niet op de voor hem aangewezen stoel plaatsnemen tijdens de beurt van de andere speler.

2. Het maken van luide opmerkingen of geluiden.

3. Het op onbehoorlijke wijze laten blijken het niet eens te zijn met een beslissing van de arbiter.

4. Het meer dan één keer van de arbiter verlangen zijn beslissing opnieuw te overwegen.

5. Het zich bemoeien met de actieve arbitrage.

6. Het – naar het oordeel van de arbiter – met opzet overtreden van de spelregels.

7. Het – naar het oordeel van de arbiter – met opzet niet maken van caramboles.

8. Het niet naleven van de kledingvoorschriften.

9. Het niet naleven van maatregelen van orde die van tevoren door de wedstrijdleiding zijn aangekondigd (horloges af, telefoons uit e.d.).

 

Begin van een partij

1. De wedstrijdleider deelt de arbiters in en roept daarna de spelers naar de tafels. De arbiter gaat naar de spelers die aangewezen zijn voor zijn tafel en gaat tossen. Het tossen gebeurt door een muntstuk in één van zijn beide handen te nemen en een speler een keuze te laten maken. De speler welke de hand met de munt heeft gekozen, bepaalt wie begint met inspelen.

2. Iedere deelnemer krijgt 4 minuten, direct na het tossen, om in te spelen. Na 3 minuten kondigt de arbiter aan: “U heeft nog 1 minuut inspeeltijd”. De speler mag kiezen tussen het oefenen van acquit of de minuut doorspelen. Speelt hij door dan krijgt hij na de minuut te horen dat zijn inspeelbeurt voorbij is. Hij mag dan niet meer van acquit oefenen. De speler die kiest voor het oefenen van de acquitstoot, mag dit drie keer doen ook al duurt dit langer dan 1 minuut. Daarna is ook zijn inspeeltijd afgelopen. De arbiter is behulpzaam bij het opzetten van de ballen voor het oefenen van de beginstoot. De ballen worden hierbij van de zijbanden opgezet.

3. De arbiter plaatst de ballen in positie voor het uitvoeren van de keuzetrekstoot. De rode bal op het boven acquit met de zakdoek vanaf de bovenband, nadat de bal is gepoetst met de zakdoek. Het plaatsen van de ballen op de afstootlijn geschiedt vanaf de benedenband met de zakdoek, nadat deze zijn gepoetst. De gemerkte bal wordt geplaatst halverwege tussen de linker band en het linker acquit, de ongemerkte bal halverwege tussen de rechter band en het rechter acquit.

4. De keuzetrekstoot dient door beide spelers nagenoeg gelijktijdig en rechtstreeks van de bovenband te geschieden, zodanig dat die band maar éénmaal wordt geraakt. De speler wiens bal het dichtst bij de benedenband tot stilstand komt, ongeacht of deze band is geraakt, mag bepalen wie er begint. Is het moeilijk te zien wie het dichtst bij de band ligt, dan loopt de arbiter naar de bovenband waarvandaan het beter te constateren is. Is het dan nog niet waar te nemen, dan wordt de trekstoot over gedaan. Staan beide spelers gebukt om gelijktijdig af te stoten, maar aarzelt een speler, waardoor de bal van de tegenstander de bovenband raakt voordat de aarzelende speler gestoten heeft, dan bepaalt de speler wiens bal de band raakt alvorens de andere speler heeft gestoten, wie er mag beginnen.

5. Wordt gelijktijdig op meer dan één biljart gespeeld, dan dienen de partijen ook gelijktijdig te beginnen. Het verdient aanbeveling om met de trekstoot al gelijktijdig te beginnen.

6. De speler aan wie de beginstoot wordt toegekend, speelt met de niet- gemerkte bal. Dit annonceert de arbiter met: “De heer” of “mevrouw”, dan de naam van de speler “begint”.
Alleen de achternamen worden geannonceerd. Alleen bij jeugd worden de voornamen geannonceerd.

7. De arbiter plaatst de ballen als volgt in de beginpositie:
a. De rode bal op het bovenacquit vanaf de bovenband met de zakdoek.
b. De aanspeelbal op het benedenacquit vanaf de benedenband met de zakdoek.
Moet de gemerkte bal op een acquit worden geplaatst dan dient dat zodanig te gebeuren, dat de speler het merkteken kan zien. Het beste is de bal zo neer te leggen, dat het merkteken bovenop de bal komt te liggen.
c. De speelbal op het rechteracquit met de zakdoek vanaf de benedenband; op verzoek van de speler kan de speelbal ook op het linkeracquit worden geplaatst.

8. Vanuit de beginpositie moet direct vanaf de rode bal worden gespeeld. Moet tijdens de partij of aan het einde van de partij voor de gelijkmakende beurt de ballen opnieuw in de beginpositie worden geplaatst, dan handelt de arbiter als hierboven omschreven. De speler mag bij het herplaatsen van de ballen niet behulpzaam zijn. Doet hij dat wel, dan wordt hij wegens touché afgeteld, ook al is hij nog niet met zijn beurt begonnen.

9. Onderbreking van een partij kan wanneer één van beide spelers de helft van de partijlengte bereikt na een serie De arbiter annonceert: “Wenst u gebruik te maken van deze pauze?”
Zo ja, dan kan de partij voor de duur van drie minuten worden onderbroken. Mocht naar het oordeel van de arbiter nog een pauze nodig zijn, dan kan dit eveneens worden toegestaan.

10. Heeft de arbiter voor één van de spelers de laatste caramboles geteld (na de “en nog vijf c.q. en nog drie”) dan is deze speler klaar met zijn partij, ook al blijkt daarna dat door een fout deze speler te weinig caramboles heeft gemaakt. Heeft deze speler een beurt meer gebruikt dan de andere speler, dan heeft de andere speler nog recht op een gelijkmakende beurt. De arbiter annonceert aldus: “Noteren . de heer...,. Gelijkmakende beurt de heer...
Uitdrukkingen als “Partij” of “halve partij”, zijn niet juist.

11. De arbiter dient de gelijkmakende beurt pas te laten beginnen wanneer de rust in de zaal is teruggekeerd en de speler die het eerst uit was, op zijn aangewezen stoel heeft plaatsgenomen. Het feliciteren van de winnaar moet op dat moment zoveel mogelijk worden tegengegaan. Hebben beide spelers de partij beëindigd dan dienen zij zo snel mogelijk de speelruimte te verlaten. De nog aan de gang zijnde partijen mogen niet worden gestoord.

Optreden van een arbiter

1. De arbiter dient zich bij de arbitrage zodanig te gedragen dat de aan de beurt zijnde speler niet en de niet aan de beurt zijnde speler zo min mogelijk worden gehinderd. Worden gelijktijdig meer partijen gespeeld, dan dient de arbiter zich zodanig te gedragen dat ook de spelers en de arbiter van een andere partij niet door hem worden gehinderd. Voor en tijdens de uitvoering van een stoot dient de arbiter zich zodanig op te stellen dat hij op de best mogelijke wijze kan vaststellen of de speler de spelregels naleeft en kan constateren of een carambole wel of niet wordt gemaakt.

2. Wil een speler rond het biljart lopen, dan stapt de arbiter iets achteruit, zodat de speler tussen hem en het biljart kan passeren. Willen de speler en de arbiter rond het biljart lopen, dan doen zij dat in tegengestelde richting.

3. Bij het positie kiezen houdt de arbiter zoveel mogelijk rekening met het zicht van de tegenstander, de schrijver en natuurlijk het publiek, maar zijn primaire taak is het constateren of een bal raak is of mis.

4. Een arbiter kan een speler ook hinderen als hij geen correcte houding aanneemt. Daarom: geen handen in de zakken, niet buigen over het biljart, niet goedkeurend knikken als een carambole lukt of laatdunkende reacties laten blijken, als een speler een bal verkeerd raakt en vooral niet op de rand van de tafel kloppen bij een mooi gemaakte carambole.

5. Voor een speler is het ook hinderlijk, als de arbiter langdurig gaat controleren of ballen vastliggen of niet, alhoewel de speler heeft laten blijken dat hij van de derde niet vastliggende bal wil spelen Pak bij vastliggende ballen gelijk de loep erbij om te voorkomen dat de speler zegt: ”Wilt u nog eens kijken”.

6. Zodra de speler heeft aangelegd, stopt de arbiter zijn bewegingen. Ook zal hij niet recht tegenover de speler gaan staan. Er zijn arbiters die hun handen daarbij voor hun kruis houden, als of zij bang zijn dat ze daar geraakt worden door een uitgesprongen bal. Als de arbiter niet
tijdig een andere plaats kan bereiken, kan hij een halve slag draaien. De arbiter zal ook niet te lang op eenzelfde plaats blijven staan, maar al is het maar weinig, na een paar stoten van plaats veranderen. Dit verhoogt het attent blijven.

De behandeling van de carambole en wat daarbij mis kan gaan

1. Onder een carambole wordt verstaan het met de speelbal raken van beide andere ballen, nadat de speelbal in beweging is gebracht met de door een pomerans van de keu, éénmaal toegebrachte stoot.

2. Een carambole is geldig nadat alle ballen tot stilstand zijn gekomen en er geen fout is gemaakt.

3. Alleen de arbiter beslist of een carambole geldig is.

4. Telt de arbiter een carambole geldig, dan mag de speler zijn beurt vervolgen, tenzij hij het einde van zijn partijlengte heeft bereikt. Telt de arbiter een carambole niet geldig dan is de beurt voor de speler voorbij en is de andere speler aan de beurt, tenzij deze in de voorgaande beurt de partij heeft beëindigd.

5. Telt de arbiter een carambole niet geldig omdat de speelbal de beide andere ballen niet heeft geraakt, dan kan hij dit aanduiden met de annonce “mis”, zo hij dit noodzakelijk of gewenst acht. In de praktijk zal de arbiter annonceren: “Noteren, aantal, dhr of mvr, aantal”.
De annonce: “Noteren.” Betekent dat de speler kan gaan zitten en voor de schrijver het sein dat hij aan het werk moet. Heeft hij in eerste instantie het aantal niet gehoord, na het noemen van de naam van de speler die gemist heeft, herhaalt hij nogmaals het gemaakte aantal. Voor de speler die niet aan de beurt was betekent het dat hij nu aan de beurt komt.

Fouten: als bedoeld in het vorige punt 5 waarbij de arbiter aftelt, zijn:

1. Het tijdens de uitvoering van de stoot uitspringen van één of meer ballen, aangeduid met uitgesprongen bal, als deze buiten de omlijsting komt of de arbiter heeft geconstateerd dat deze de omlijsting heeft geraakt. Heeft de uitgesprongen bal de grond geraakt, dient de arbiter hem te reinigen.

2. Het met de keu, anders dan het met één stoot het met de speelbal raken van beide andere ballen, onverschillig op welke andere wijze, een bal aanraken wordt aangeduid met touché.

3. Het door de speler, naar het oordeel van de arbiter, met opzet zo handelen, dat hij één of meer ballen zonder deze direct aan te raken van plaats of loop doet veranderen, aangeduid met indirect touché. Indirect aanraken is bijvoorbeeld: stoten tegen het biljart, optrekken van het laken, blazen tegen een bal, enz. Door dit soort handelingen kan de loop van een bal veranderen, maar vooral zouden vastliggende ballen kunnen worden losgemaakt. Het element “opzettelijk” moet eveneens aanwezig zijn. Duidelijk is natuurlijk dat ook de arbiter, bijvoorbeeld bij vastliggende ballen, niet het laken mag aanraken of tegen het biljart moet stoten.

4. Het met de pomerans nog in contact zijn met de speelbal op het moment dat deze bal een andere bal of de band raakt.
Het op of langs de band of de andere bal spelen als de arbiter heeft aangegeven dat de speelbal vast tegen die band of bal ligt, zonder dat de speelbal eerst door een kopstoot ( massé of piqué ) wordt losgemaakt, wordt aangeduid met “biljardé”. Beweegt de andere bal door het verliezen van het steunpunt doordat de speelbal wordt losgemaakt, dan wordt dat niet als fout aangerekend. Denken dat een speler wel biljardé zal maken, is een gevaarlijke zaak. Het komt voor dat een speler een veel grotere technische kennis heeft dan de arbiter en wel degelijk kan afstoten zonder een fout te maken. De arbiter mag dan ook alleen een speler wegens biljardé aftellen als hij met zekerheid waarneemt dat de speler inderdaad een biljardé heeft gemaakt. Bij twijfel moet de arbiter de speler laten doorspelen.

5. Het niet met tenminste één voet de vloer raken op het moment dat de speler afstoot, wordt aangeduid met “voeten los”.

6. Het op het moment dat de speler afstoot op de omlijsting (krijtje) de band (streepje met pomerans) of het speelvlak (stip met natte vinger) naar het oordeel van de arbiter, aangebracht hebben van een zichtbaar merkteken, wordt aangeduid met “merkteken”.

7. Het spelen met een andere bal dan de speelbal wordt aangeduid met “verkeerde bal” pas nadat er met de verkeerde bal is gestoten.

8. Het afstoten op het moment dat alle ballen, na het maken van de voorafgaande stoot, nog niet tot stilstand zijn gekomen, wordt aangeduid met “bewegende ballen”.

Verboden zones bij het Libre

Op de kleine tafel tot de overgangsklasse wordt in iedere hoek een rechthoekige driehoek gemaakt, door van uit iedere hoek op de banden een afstand van 17 cm te maken en deze door een dun lijntje met elkaar te verbinden. Deze driehoek wordt verboden zone genoemd. Deze benoeming is niet geheel correct, aangezien, wanneer de beide aanspeelballen in deze driehoek liggen het is toegestaan 1 carambole daarin te maken. Na de tweede carambole moet tenminste één bal de driehoek hebben verlaten.
Bij overgang – en Top klasse zijn de bedoelde afstanden 28,75 cm op de korte band en 57,5 cm op de lange band. Deze worden ook weer met een dun krijtstreepje met elkaar verbonden zodat er een driehoek ontstaat, waarin mag worden gecaramboleerd zoals hierboven omschreven.
Libre en bandstoten

Bij bandstoten dient de speelbal alvorens te caramboleren minstens één band te hebben geraakt. Wanneer de speelbal vast ligt tegen één of beide aanspeelballen, dan mag de speler kiezen uit:
a. Het plaatsen van alle ballen in de beginpositie;
b. Het spelen vanaf een niet vastliggende bal of via één of meer banden tegen welke de speelbal niet vastligt;
c. Het vrijspelen van zijn speelbal door een kopstoot (massé of piqué).

Bij PK’s in de Topklasse heeft de speler geen keus en dienen alle ballen te worden geplaatst in de beginpositie
Bij Libre Grote hoek in de teamcompetitie (C1) heeft de speler ook geen keus en dienen ook alle ballen in de beginpositie te worden geplaatst
Bij uitgesprongen ballen dienen alle ballen te worden geplaatst in de beginpositie.

Driebanden

Bij het driebanden dient de speelbal alvorens te caramboleren minstens drie – al of niet dezelfde – banden te hebben geraakt.
- Speelbal vast bij driebanden.
Ligt de speelbal vast tegen één of beide aanspeelballen, dan mag de speler kiezen uit:
a. Het spelen via een niet vastliggende bal of via één of meerdere banden tegen welke de speelbal niet vastligt;
b. Het losspelen van zijn speelbal door een kopstoot;
c. Het op de acquits laten plaatsen van zijn speelbal en de daaraan vastliggende bal, eventueel alle ballen als de speelbal tegen beide andere ballen vastligt en wel:
- De rode bal op het bovenacquit;
- De speelbal op het benedenacquit;
- De andere bal op het middenacquit.
- Is het voor de vastliggende bal aangewezen acquit versperd, dan wordt die bal geplaatst op het acquit aangewezen voor de bal die dat acquit verspert.

Zijn één of meer ballen uitgesprongen, dan dienen de uitgesprongen ballen op de acquits te worden geplaatst zoals hierboven omschreven. Hiervoor dienen de ballen die uitgesprongen zijn wel eerst te worden gereinigd.

Opmerking:
Dreigt een bal, die de omlijsting van de band heeft geraakt, terug op het speelveld te rollen, dan dient getracht te worden deze bal tegen te houden, omdat deze bal op het daarvoor aangewezen acquit moet worden geplaatst mogen de andere ballen na het uitspringen niet meer van plaats veranderen of tijdens het uitlopen na de stoot niet van richting te worden veranderd. De bepalingen zo die gelden voor Bandstoten-klein en driebanden-klein, gelden ook voor Bandstoten-GROOT en Driebanden-GROOT.
Kaderspelen

Bij het kaderspel 38/2, waarbij het speelveld door middel van dunne krijtlijntjes wordt verdeeld in vakken, en de twee aanspeelballen samen in een vak blijven liggen, annonceert de arbiter “entree”
Nadat de speler in hetzelfde vak nog een carambole maakt, annonceert de arbiter “dedans” Bij de volgende stoot dient de speler tenminste één van de aan te spelen ballen uit het betreffende vak te spelen. Gebeurt dit niet dan wordt de speler afgeteld: “Noteren dhr.” Als de speler vraag waarom hij wordt afgeteld, de carambole was toch gemaakt, deelt de arbiter hem mede: “restee dedans” Weet de speler de aan te spelen ballen zo te manoeuvreren dat zij elk aan een kant van de scheidingslijn van vakken komen te liggen, annonceert de arbiter : “à cheval”

Schrijvers

Schrijvers en bordenisten worden verzocht de op papier staande aantallen caramboles goed te verwerken. Wanneer een speler de partij heeft beëindigd, is het van belang ook de laatste carambole te vermelden, ook op het bord, opdat het publiek ook kan zien wie er uitgespeeld is en wie nog de na-beurt heeft.

Beknopte spelregels betreffende Arbitrage door verenigingsleden

 Algemeen

  • De keuzetrekstoot dient door beide spelers gelijktijdig en rechtstreeks van de bovenband te geschieden, zodanig dat de spelers met de hun toegewezen bal die band eenmaal raken. De speler wiens bal het dichtst bij de benedenband tot stilstand komt, ongeacht of deze band is geraakt, mag bepalen aan wie de beginstoot wordt toegekend (op de terugweg mag de bal ook de zijband raken). Als de bal van speler 1 de bovenband al geraakt heeft alvorens speler 2 afstoot, heeft speler 1 het recht om te bepalen wie er mag beginnen. Raakt een van de spelers tijdens het uitvoeren van de keuzetrekstoot met de hem toegewezen bal een andere bal, meer dan één keer de bovenband of geen enkele keer de bovenband, dan bepaalt de andere speler aan wie de beginstoot wordt toegekend. Raken de ballen elkaar tijdens de keuzetrekstoot zonder dat duidelijk kan worden bepaald wie van de spelers daaraan schuld heeft; raken beide ballen de bovenband meer dan één keer of geen van beide die bovenband, dan moet het bepaalde in lid 5 opnieuw worden toegepast.

  • Direct nadat de keuzetrekstoot is uitgevoerd en aangegeven is wie de beginstoot wordt toegekend, plaatst de arbiter de ballen als volgt in de beginpositie:

    a. de rode bal op het bovenacquit.

    b. de aanspeelbal op het benedenacquit.

    c. de speelbal op het rechteracquit, tenzij de speler vanaf het linkeracquit wenst af te stoten.

  • Vanuit de beginpositie moet direct vanaf de rode bal worden gespeeld.

  • Moeten tijdens de partij of bij het einde van de partij, voor de gelijkmakende beurt als bedoeld in artikel 5206 lid 2, de ballen opnieuw in de beginpositie worden geplaatst, dan dienen deze regels ook worden toegepast.

  • De speler mag de arbiter niet behulpzaam zijn bij het plaatsen van de ballen in de beginpositie. Doet de speler dit wel dan geeft de arbiter de desbetreffende speler een officiële waarschuwing, immers aftellen wegens touché zou alleen in dit geval bij de beginnende speler kunnen vandaar dat we in dit geval ongeacht of het de beginnende of niet beginnende speler betreft, die behulpzaam is, een officiële waarschuwing geven om ongelijkheid te voorkomen.

  • Het raken met de speelbal, tengevolge van een aan die bal met de pomerans van de keu toegebrachte stoot, van beide andere ballen heet een carambole. Iedere geldige carambole telt voor één punt.

  • Een gemaakte carambole is pas geldig zodra de ballen tot stilstand gekomen zijn en de arbiter over de geldigheid beslist heeft. De aan de beurt zijnde speler heeft eenmaal het recht de arbiter op correcte wijze te verzoeken zijn beslissing te herzien, bijvoorbeeld bij het vastliggen der ballen. De niet aan de beurt zijnde speler mag eveneens eenmaal de arbiter op correcte wijze verzoeken zijn beslissing te herzien, bijvoorbeeld bij een niet geconstateerde touché of het spelen met de verkeerde bal. De arbiter is dan niet verplicht zijn beslissing nogmaals te overwegen, echter mag dat wel. Eventueel mag de arbiter daarbij het oordeel van de andere - voor dezelfde partij aangewezen - arbiter in winnen. Omwille van een soepel verloop van de partij mag de arbiter het punt tellen voordat de ballen tot stilstand zijn gekomen. Hij moet echter herstellen indien tijdens de uitloop alsnog een fout wordt begaan.

  •  Zodra de arbiter voor een der spelers de laatste van het aantal door hem te maken caramboles heeft geteld is die speler winnaar, tenzij hij op dat moment een beurt meer heeft gehad dan zijn tegenstander, in welk geval deze het recht heeft op een gelijkmakende beurt. Daartoe worden de ballen door de arbiter voor hem in aanvangspositie geplaatst. Behaalt hij in die beurt eveneens het door hem te maken aantal caramboles, dan is de partij remise. Zo niet dan is de andere speler winnaar. Het kan ook voorkomen dat er een fout is gemaakt bij het aantal gemaakte caramboles van de tegenstander, zelfs als dus achteraf blijkt dat deze tegenstander wel zijn aantal te maken caramboles heeft gemaakt dan nog blijft de speler die is uitgeteld door de arbiter winnaar.

  • Als fout wordt gerekend:

    a.  Het niet voldoen aan de regels in het algemeen, en voor de spelsoort waarin de partij gespeeld wordt in het bijzonder.

      Het doen uitspringen van een of meer ballen. Een bal wordt geacht te zijn uitgesprongen zodra hij buiten het biljart terecht komt of indien hij de houten omlijsting raakt.

      De speelbal stoten alvorens alle ballen geheel stil liggen.

    d·  Biljarderen, hetgeen wil zeggen dat de pomerans nog in aanraking is met de speelbal op het moment dat deze een tweede bal of de band raakt.

      Direct spelen op een band waartegen de speelbal vastligt, zonder deze eerst door een kopstoot (piqué of massé)       daarvan vrij te hebben gespeeld.

      Tijdens de stoot niet met tenminste één voet op de begane grond rust op het moment van de afstoot.

    g·  Het spelen met een andere dan de eigen speelbal.

    h·  Het maken van tekens op het laken, een band of de omlijsting.

    i·   Om welke reden dan ook aanraken van een bal waarmee de partij gespeeld wordt met de hand, de keu, een kledingstuk, een ketting of elk ander voorwerp, alsmede op zulk een bal laten vallen van enig voorwerp.

    ls een bal door het maken van een onder c-d-e-f-g-h-i gemaakte fout is verplaatst, moet hij blijven liggen in de door verplaatsing nieuw ontstane positie.

  • Het maken van een fout heeft tot gevolg dat een bij of tengevolge van die fout gemaakte carambole niet geldig is.

  • Een fout waaraan een speler geen schuld heeft (bijvoorbeeld doordat een passerend persoon tegen zijn keu stoot) wordt hem niet aangerekend. Is in dit geval de positie van de ballen veranderd, dan zal de arbiter de verplaatste bal(len) zo nauwkeurig mogelijk in de vorige positie herstellen.

  • Bij de spelsoorten libre en kader zijn op het speelvlak verboden zones aangebracht. Zodra de twee aanspeelballen allebei in dezelfde verboden zone terecht zijn gekomen, is de positie entrée ontstaan. Wordt in deze positie een geldige carambole gemaakt zonder dat tenminste één van de aanspeelballen deze verboden zone heeft verlaten, dan is de positie dedans ontstaan. In deze positie is een gemaakte carambole pas geldig als minstens één van de twee aanspeelballen de betreffende verboden zone verlaten heeft. Wel kan hierbij onmiddellijk weer de positie entrée ontstaan.

Libre

  • De verboden zones zijn de rechthoekige driehoeken bij de hoekpunten van het speelvlak, waarvan de zijden langs de korte banden 17 cm en de zijden langs de lange banden 34 cm zijn. Voor deze verboden zones gelden de regels voor entrée, à cheval en dedans zoals deze ook gelden voor het kader.

  • Als de speelbal van een aan de beurt zijnde speler vastligt tegen een of beide andere ballen, dan heeft de speler keus tussen:

    ·         het plaatsen van alle ballen in de beginpositie;

    ·         het spelen vanaf een niet vastliggende bal of via een of meer banden tegen welke de speelbal niet vastligt;

    ·         het 'vrij'-spelen van zijn speelbal door een kopstoot (massé of piqué).

  • Het wordt niet als fout gerekend als de vastliggende bal zich bij de stoot beweegt door verlies van het steunpunt dat de speelbal hem vóór de stoot verleende (de bal verplaatst zich dan in de richting waarin de speelbal zich bevond).

  • Bij het uitspringen van een of meerdere ballen moeten alle ballen in de aanvangspositie worden geplaatst

  • Ten opzichte van de andere klassen in de spelsoort libre-klein gelden in de overgangsklasse en de topklasse de volgende extra handicaps:

    - in de overgangsklasse de grotere verboden zones (Grote Hoek)

    - in de topklasse de grotere verboden zones(Grote Hoek) en de verplichtingen dat bij vastliggende ballen deze in de beginpositie moeten worden geplaatst

Bandstoten

  • Er zijn geen verboden zones.

  • Een gemaakte carambole is slechts geldig als de speelbal vóór het voltooien van de carambole tenminste één band heeft geraakt.

  • Voor het vastliggen en uitspringen van de bal(len) gelden dezelfde regels als bij het libre.


Kader

  • 38/2: Het speelvlak wordt in 9 vakken verdeeld door vier kaderlijnen, die zich bevinden op 38,3 cm van de band.

  • 57/2: Het speelvlak wordt in 6 vakken verdeeld door vier kaderlijnen die zich bevinden op 57,5 cm van de band.

  • Alle vlakken gelden als verboden zones.
  • Voor de verboden zones gelden de volgende regels.

    a.    Liggen de twee ballen waarop gecaramboleerd moet worden in eenzelfde kadervak, ongeacht door wie van beide spelers de positie is ontstaan, dan is de positie entrée ontstaan. Wordt in deze positie een geldige carambole gemaakt zonder dat tenminste één der ballen waarop gecaramboleerd moet worden het betreffende kadervak heeft verlaten, dan is de positie dedans ontstaan. Om in deze positie een geldige carambole te maken moet minstens één der ballen waarop gecaramboleerd moet worden buiten het betreffende kadervak worden gestoten. De buiten het vak gestoten bal(len) mag (mogen) echter in het vak terugkeren, waardoor weer de positie entrée ontstaat.
    b.    Als een bal, waarop gecaramboleerd moet worden juist rust op een kaderlijn die het vak begrensd waarin de andere bal waarop gecaramboleerd moet worden zich bevindt, dan wordt de eerstbedoelde bal geacht in het vak te liggen, zodat ook hier de positie entrée ontstaat.

    c.    Rust echter een bal waarop gecaramboleerd moet worden juist op het kruispunt van twee kaderlijnen die het vak begrenzen waarin de andere bal waarop gecaramboleerd moet worden zich bevindt, dan wordt de eerstbedoelde bal geacht buiten het vak te liggen.

    d.   De positie à cheval ontstaat als de ballen waarop gecaramboleerd moet worden in twee aan elkaar grenzende vakken liggen, op zeer korte afstand van de kaderlijn die ze scheidt.

  • Voor het vastliggen en uitspringen van de bal(len) gelden dezelfde regels als bij het libre.

         

 Driebanden

  • Er zijn geen verboden zones.

  • Bij het driebanden dient de speelbal alvorens deze de tweede aanspeelbal raakt tenminste drie - al of niet dezelfde - banden te hebben geraakt.

  • Zijn een of meer ballen uitgesprongen, dan dienen de uitgesprongen ballen op de acquits te worden geplaatst

  • Als de speelbal van een aan de beurt zijnde speler vastligt tegen een of beide andere ballen, dan heeft de speler keus tussen de volgende mogelijkheden

    a.        het spelen vanaf een niet vastliggende bal of via een of meer banden tegen welke de speelbal niet vastligt;

    b.        het losspelen van zijn speelbal door een kopstoot (massé/piqué);

    c.       het op de acquits laten plaatsen van zijn speelbal en de daaraan vastliggende bal, eventueel alle ballen als de speelbal tegen beide andere ballen vastligt en wel:

    d. de rode bal op het bovenacquit;

    e. de speelbal op het benedenacquit;

    f. de andere bal op het middenacquit.

    Is het voor de vastliggende bal aangewezen acquit versperd, dan wordt die bal geplaatst op het acquit aangewezen voor de bal die dat acquit verspert.